Virussen en Vikingen in Vinland
Een hele tijd geleden schreef ik al over zogenaamde 'Vikingziektes'. Zeer recent verscheen er een interessante publicatie over de Vikingen en de verspreiding van infectieziektes in de Nieuwe Wereld.
Dokter Wim Van Hooste, preventieadviseur-arbeidsarts
“Immigrant Song” (Led Zeppelin, 1970)
We come from the land of the ice and snow
From the midnight sun where the hot springs flow
Recent verscheen er een interessante publicatie van Devin Teichrow over de Vikingen en de verspreiding van infectieziektes in de Nieuwe Wereld (The Viking Herald, “Why didn’t the Vikings bring Eurasian diseases to North America?”, 20 april 2026).
Voor de epidemiologische exploratie gaan we meer dan duizend jaar terug in de tijd. Vele honderden jaren voor Columbus voet aan wal zette in het Caribisch gebied (1492), verkenden de Vikingen al IJsland (ca. 870), Groenland (985) en Noord-Amerika (L’Anse aux Meadows, Newfoundland in 1021) (Kuitems et al., Nature, 2022).
Er is aangetoond dat de Vikingen besmet konden zijn met rondwormen, zweepwormen en leverbot.
Op IJsland hebben ze zich permanent gevestigd, op Groenland drie eeuwen, en op de Oostkust van Noord-Amerika maximaal 30 jaar (maximaal 26.000 Vikingen woonden er gedurende deze periode). Dit gebied, ‘Vinland’ (wijnland) gedoopt, wordt beschreven in 2 IJslandse saga’s: de “Grænlendinga saga” (saga van de Groenlanders) en “Eiríks saga rauða” (Erik de Rode saga).
Over naar het medische luik van deze saga. Er is aangetoond dat de Vikingen besmet konden zijn met rondwormen, zweepwormen en leverbot. De dichte contacten tussen mens en dier in de typische langhuizen zouden de overdracht van allerlei zoönosen kunnen bevorderen.
Want Eurazië had de juiste mix van landbouw, gedomesticeerde dieren (koeien, varkens, schapen en kippen) en een zekere bevolkingsdichtheid waardoor de zoönosen vrij spel kregen.
Maar laten we de virussen niet uit het oog verliezen. Pokken en mazelen, virussen die een zekere crowding nodig hebben voor overdracht, hebben een critical community size (CCS) nodig om zich te blijven verspreiden (Keeling & Grenfell, Science, 1997; Mühlemann et al., Science, 2020).
Indien de pathogenen niet genoeg nieuwe slachtoffers vinden om te besmetten, dan sterven ze uit (epidemic fade-out).
Er is vooralsnog geen duidelijk bewijs te vinden dat de Noormannen door contacten met de lokale bevolking bepaalde infectieziektes hebben verspreid (Haughawout, “Viking and native American interactions: The spread of disease in the Norse discovery of North America”, Utah State University, 2024). Als ze toch verspreid zouden zijn geweest, moet het op zeer kleine schaal geweest zijn.
De Vikingen hadden voornamelijk contact met de Inuit en Indianen (Skrælingar), volkeren met een lage densiteit, die regelmatig migreerden. Met de Indianen was het contact eerder vijandig en dus zeer beperkt.
Door de omgevingstemperaturen van de arctische en subarctische locaties van de nederzettingen was de overdracht van parasieten en andere pathogenen minder dan verwacht. Het verblijf in Noord-Amerika was bovendien zeer kortstondig en vond plaats in kleine nederzettingen (geen steden).
De Vikingen waren vijf eeuwen te vroeg om zo’n grote epidemieën te veroorzaken. Na de reizen van Columbus, konden de ziektekiemen zich wel verspreiden door de veelvuldige reizen die gemaakt werden op de handelsroutes tussen Europa en Amerika (The Columbian Exchange).