Intrekking van het visum vernietigd
Raad van State: Toezichtcommissie moet hoorplicht respecteren
De Raad van State heeft in een arrest van 31 maart 2026 de beslissing van de Toezichtcommissie, die het visum van een apotheker had ingetrokken, vernietigd. De Raad wijst op een gebrek aan motivering en een schending van de hoorplicht.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De aanleiding voor de intrekking van het visum was een mededeling van de voorzitter van de Orde der Apothekers van West-Vlaanderen aan de FOD Volksgezondheid dat er een klacht tegen de apotheker werd ingediend. Er werd verwezen naar twee processen-verbaal van de lokale politie van Brugge en naar een moraliteitsverslag, opgesteld door een agent van de gerechtelijke politie van de Politiezone Brugge. Details over de klacht ontbreken.
Op 21 november 2023 besliste de Nederlandstalige kamer van de Toezichtcommissie om het visum van de apotheker als gezondheidszorgbeoefenaar in te trekken.
Intrekking van het visum niet gemotiveerd
In het vernietigingsarrest stelde de Raad van State vast dat op het ogenblik dat de bestreden beslissing aan de verzoeker werd ter kennisgegeven, zij geen formele motivering bevatte.
Pas enkele maanden later werd meegedeeld dat de intrekking werd genomen vanwege inbreuken op de vroeger aan het visum verbonden voorwaarden, maar die inbreuken werden geenszins beschreven. Die laattijdige mededeling van de motivering kon de schending van de motiveringsplicht niet verhelpen.
De belangrijkste bestaansreden van deze formele motiveringsplicht is dat de betrokkene in de beslissing die hem aangaat zelf de motieven moet kunnen vinden op basis waarvan deze werd genomen, zodat de betrokkene met voldoende kennis zou kunnen bepalen of het geschikt is om de beslissing met een annulatieberoep aan te vechten.
In dit geval werd de officiële motivering van de betwiste beslissing pas aan verzoeker bezorgd nadat hij een beroep bij de Raad van State had ingediend.
KB op werking Toezichtcommissie kan hoorplicht niet beperken
Het beginsel van behoorlijk bestuur houdt in dat de hoorplicht betekent dat er tegen niemand een ernstige maatregel kan worden genomen die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat hem vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op een nuttige wijze kenbaar te maken.
In dit geval impliceert de hoorplicht dat de verzoeker de mogelijkheid moest worden geboden om op nuttige wijze en met bijstand van zijn raadsman zijn verweermiddelen naar voor te brengen ten aanzien van het voornemen om één van de maatregelen te nemen, voorzien in artikel 56 van de Zorgkwaliteitswet.
Een van die maatregelen is de intrekking van het visum. Deze hoorplicht rust op de FOD Volksgezondheid. Het is aan de FOD om te bewijzen dat zij aan de hoorplicht heeft voldaan. Dit bewijs is niet geleverd.
De FOD argumenteerde dat artikel 9 van het KB van 4 december 2022 tot vaststelling van de werking van de Toezichtcommissie enkel voorziet in de verplichting om de betrokkene op te roepen om te worden gehoord, en dat die verplichting is nagekomen. Dat argument mist juridische grondslag.
Het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht heeft minstens wettelijke waarde, zodat een reglementair besluit zoals het KB van 4 december 2022 de draagwijdte ervan niet kan beperken. Bijgevolg heeft de FOD het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht miskend.
Om beide redenen vernietigde de Raad van State de beslissing tot intrekking van het visum.
Lees ook: Wetsontwerp wijzigt bevoegdheden Federale Toezichtcommissie