"RIZIV is niet bevoegd voor controle abortuswetgeving"
Het is niet de taak van het RIZIV om toe te zien op de naleving van de abortuswetgeving. Dat zei minister Vandenbroucke in de Commissie Gezondheid naar aanleiding van een activiteitenrapportformulier dat het RIZIV had verzonden.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
Volksvertegenwoordiger Caroline Désir (PS) stelde tijdens de vergadering van de Commissie voor Gezondheid en Gelijke Kansen op 20 mei een mondelinge vraag aan minister Vandenbroucke over de activiteitenverslagen van abortuscentra buiten het ziekenhuis.
Tijdens de vergadering van de Commissie Gezondheid en Gelijke Kansen op 10 maart had Desir reeds een mondelinge vraag gesteld over de controles op de abortuspraktijk door het RIZIV.
Zij wees er toen op dat de centra voor gezinsplanning die zwangerschapsafbrekingen uitvoeren een nieuw activiteitenrapportformulier hadden ontvangen van het RIZIV. Zij moeten daarin nauwkeurig elke situatie waarin de wettelijke wachttijd van zes dagen niet is toegepast, rechtvaardigen. In zijn antwoord zei de minister dat hij juridisch advies had gevraagd over deze vraag van het RIZIV.
Lees ook: RIZIV waakt over de wachttijd van 6 dagen voor abortus
Tijdens de vergadering van 20 mei vroeg Désir hoe het staat met dat advies en welke conclusies de minister daaruit trekt.
RIZIV niet bevoegd
De minister antwoordde dat de juridische analyse is afgerond. Daaruit blijkt dat het niet de taak is van het College van artsen-directeurs om toe te zien op de naleving van de abortuswetgeving. Dat is de taak van de Nationale Evaluatiecommissie voor Zwangerschapsafbreking.
De gegevens die in het jaarverslag worden verstrekt, zijn bedoeld voor de evaluatie van de overeenkomst die met de abortuscentra buiten het ziekenhuis is gesloten.
Vandenbroucke heeft het College gevraagd het verslagmodel aan te passen en de vermelding naar de zes dagen termijn te schrappen. Hij zal de zaak nauwlettend volgen.